Er bekruipt me een groeiende zorg als het gaat om de handelwijze van de regering van Israël in het conflict met Hamas.

Het conflict is veel breder dan een president die zijn vege politieke en persoonlijke lijf wil redden. Aan het bewind is een democratisch gekozen politieke stroming die zich niet alleen recentelijk vergreep aan hulpverleners, maar vooral de wijze waarop men dit vergrijp poogde te verhullen, baart zorgen.  De aanslag op de hulpverleners is een grove schending van het recht, maar de wijze waarop de slachtoffers werden gedumpt in een massagraf, staat in schril contrast met de Joodse opvatting over de waardigheid van de overledene en de zorgvuldige ter aarde bestelling van de stoffelijke resten. De vraag is dan ook of het huidige beleid van de Israëlische regering niet ook de eigen jonge bevolking mentaal en moreel onherstelbaar beschadigd. De handelwijze van de betrokken Israëlische soldaten en vervolgens het commentaar van het kabinet Netanyahu verdient een gesprek van vrienden en bondgenoten. Vrienden moeten elkaar aan kunnen spreken op fouten en (dreigende) misstanden. Dat is iets anders dan elkaar afvallen en tot vijand verklaren. Als vrienden moet je het lef hebben elkaar diep in de ogen te kijken en te wijzen op fouten: 'Zo ken ik je niet'. Dat is niet alleen een bestraffing of vermaning, maar vrienden houd je ook graag op het juiste spoor. Israël wil een oorlog tegen Hamas winnen, intussen verliest het een jonge generatie burgers wiens opvatting over menselijke waardigheid is verworden op het slagveld.