Angst en onmacht, wie zal vijanden dragen

Geschreven door Super User.

We proberen ons een voorstelling te maken van het leven in grote rijkdom tegenover diepe armoede in een periode met tal van onlusten tussen de verschillende bevolkingsgroepen van de tweede stad van het grote Romeinse rijk.  De hoofdpersoon, Jesse, licht een tipje van de sluier op door te vertellen over zijn eigen jeugd en opvoeding in de stad. Jesse is een jongvolwassene van ca 16 jaar uit een aristocratische familie. Dat wil zeggen z’n vader is een welgesteld en gezien burger in de stad en komt uit een redersfamilie. Z’n moeder komt uit Judea, zij is vlak voor de val van Jeruzalem vertrokken naar Alexandria. De val van de stad en de ingrijpende reis naar Alexandria heeft diepe sporen nagelaten in haar leven. Geleidelijk ontdekt Jesse wat er is gebeurd en hoe het leven wordt bepaald door traumatische ervaringen van angst en onmacht.

Z’n eigen leven is veel meer verbonden aan dat van zijn moeder dan hij zelf zou willen. Hij trekt van jongs af op met een aangetrouwd nichtje Sascha. Ze studeren samen en raken op elkaar betrokken. Hoe hij zich tegenover haar moet opstellen, is voor Jesse een hele puzzel. Hij krijgt  daarbij raad van Elie, een medewerker van z’n oom. Elie kent een lange geschiedenis van krijgsgevangenschap en slavernij. Deze norse oude doch atletische man wordt Jesse's steun en toeverlaat en z’n grote voorbeeld, zeer tegen de zin in van z’n ouders.

Voor een indruk is het eerste hoofdstuk bijgevoegd.  

 

Mijn aantekeningen

 

Eef had al aangeboden om te helpen bij het opruimen van m’n oude kamer en mijn papieren te ordenen. Ik woon al enige tijd in het huis op de werf. Ik heb het van mijn oom, hij wilde er niet meer wonen. Eef is mijn medewerkster, maar ze vervult ook andere taken op de werf. Zij woont op de benedenverdieping van mijn huis. Vanaf het balkon aan de zuidzijde kijk ik uit over de Mareotis, het meer ten zuid-westen van de stad, dat door een kanaal in verbinding staat met de grote rivier de Nijl. Talloze schepen vanuit Opper- Egypte komen binnen via het meer. In de avond kijken we vanaf het ‘boventerras’ naar de kleine zeilen van vissersboten, die dobberen op het water. Eef komt dan boven voor wat verkoeling en we bespreken de taken voor de volgende dag. 

Eef is vrijgekocht door oom. Ze kreeg een taak bij mijn ouders eerst in de huishouding en wat later is ze aan mij toegewezen nadat Ruth was vertrokken. Het is in onze familie gebruik dat meisjes van het volk worden aangenomen. Gezinnen raken regelmatig in moeilijkheden, door gebrek aan werk of een overlijden van één van de ouders. Wanneer ze niet meer in het levensonderhoud kunnen voorzien worden de dochters aangeboden als slavin. Welgestelden nemen deze meisjes op om te voorkomen dat ze worden verkocht als slavin of in badhuizen van gojiem[1] te werk worden gesteld. 

Het is de zorgplicht van de aristocratie te voorzien in het levensonderhoud van de minder bedeelden in de stad. Elke bevolkingsgroep neemt overigens vooral eigen volksgenoten op, wij ook. Hoewel de aristocratie hoog opgeeft van haar welwillendheid en barmhartigheid jegens minder bedeelden is de situatie van deze jongeren niet te benijden. Ze dienen vaak vele jaren, verrichten onaangenaam werk en maken lange dagen. Dat is bij ons thuis niet gebruikelijk. Meisjes zijn op hun 15e vrij en kunnen gaan waar ze willen, tenzij er voordien een huwelijksaanzoek komt of een huwelijk is geregeld dan mogen ze eerder vertrekken.

Het huwelijk van jonge meisjes is een punt van discussie in de familie. Oom is fel gekant tegen het uithuwelijken van meisjes, ze moeten zelf de keuze kunnen maken, ‘dat mochten wij ook!’ Ma is dat wel met hem eens, maar vindt oom een dromer die weinig zicht heeft op de realiteit. In de praktijk valt er niet zoveel te kiezen voor meisjes. Bovendien leef je niet alleen voor jezelf, maar heb je een gemeenschappelijk taak als volk. Van een vrouw mag verwacht worden dat ze haar man kinderen schenkt.

Ma en oom zijn tegenpolen in vrijwel alles, maar eensgezind over de behandeling van vooral meisjes die worden vrijgekocht. Oom vindt dat alle vrouwen moeten leren lezen en schrijven, zowel Grieks als hun moedertaal Aramees. Na een jaar krijgen ze een eigen kamer. Het deelnemen aan de lees- en schrijflessen is wel verplicht. Als schrijfster ben je verzekerd van een goed bestaan is zijn redenering. Tenslotte neemt iedereen de Sabbat in acht. Er zijn natuurlijk de noodzakelijke dingen die gedaan moeten worden voor eten, drinken en persoonlijke verzorging.  Verder is de zevende dag van de week een rustdag. Het is een vrije dag die begint op vrijdagmiddag en duurt tot zonsopgang van de eerste dag.

Eef is na enkele jaren cursus inmiddels mijn schrijfster, ze schrijft brieven, koopcontracten en wil in de toekomst ook codices overschrijven. Ze beheert ook mijn agenda, een taak die ze stilzwijgend heeft overgenomen van Ruth haar voorgangster. Ruth had geen hoge pet op van mijn organisatietalent en Eef evenmin. Regelmatig werd ik, in de tijd dat ik nog bij m’n ouders woonde, zorgvuldig geobserveerd door Ruth wanneer ik uit mijn kamer kwam.

Ik zat na schooltijd regelmatig op m’n kamer te studeren soms tegen de zin van ma: ‘We zien je nooit, je komt even eten en dan ben je weer weg. Daar is toch niks aan’.

De kamer was een toevluchtsoord om achteraf de juiste beslissing te nemen op basis van geniale oplossingen om me pestende Hellenisten, Alexandrijnen en Egyptenaren van het lijf te houden, de arrogante ‘Hellenisten’ de loef af te steken of de goede woorden te vinden voor een vertaling uit de Tora. 

Het was aanvankelijk de taak van Eef om mijn kamer bij te houden. Ze kreeg daarvoor de instructies van Ruth. Dat deed ze met zorg. Mijn bureau ruimde ze zelfs op.

De herinneringen en de kladjes van brieven, de aantekeningen van studies stopte ik in een map, de korte aantekeningen en geheugenbriefjes deed ik in het doosje. Meestal bleef het bij een voornemen, kwam ik dan uit school dan was alles opgeruimd.

Ruth wist precies de oorzaak wanneer ik in de ochtend weer eens wat versuft aan tafel zat. Ik kreeg dan een knipoog en een stevige kop thee van haar. Ma vroeg eens met enige zorg in haar stem of ik ‘iets’ met haar had want ze had in de nacht wat gehoord. ‘Dat doen alleen de gojiem, bij ons gaan ze trouwen’, zei ze dan met afschuw in haar stem.  ‘Ja, we hebben iets, maar we trouwen niet’, reageerde ik dan gemaakt serieus.  

Eef is net als Ruth opmerkzaam en punctueel, ze kent haar taken en anticipeert op wat mij te doen staat. Vandaar haar aanbod om te helpen om het laatste restant van de verhuizing te voltooien. Maar ik vond het te gênant om haar te vragen nog meer van mijn spullen op te ruimen.

Ma had er al maanden op aangedrongen dat ik eindelijk al die boekrollen, rolletjes en die doosjes  ging opruimen want zo kon ze niet verder. Ze wilde de kamer gebruiken voor loges of gasten, nu ik binnenkort met oom Jesse op reis ga.

Al weken liep ik met boekrollen, maar stokten mijn goede voornemens wanneer ik tegen twee mappen en twee doosjes met aantekeningen aankeek, die ik door de jaren heen gemaakt had. Wat moest ik ermee, bewaren of wegdoen? 

Raar was dat, dat ik daar zo lang  tegenaan liep. Het leek net of die doosjes mij verlamden zodra ik ze wilde pakken. Er zat toch echt niet veel meer in dan simpele stukjes papyrus met aantekeningen van de lessen, teksten, proefstukjes van brieven die ik opstelde.

Ma zag mijn moeite, wanneer ik weer eens korzelig ‘Ja, ja’, antwoordde op haar vraag of ik ook gelegenheid had om dat bureau nu eens …’

‘Soms moet je dingen achter je laten, herinneringen in vlammen op laten gaan, anders kom je er niet van los en verteren ze je’, zei ze, ‘de as kun je dan verstrooien in de haven’.

Het was goed bedoeld, maar het ontbrak me aan moed om de herinneringen los te laten, ze waren me dierbaar. Ik liep wel regelmatig door de haven, maar steeds zonder as. Ik wist ook niet of ma tegen mij sprak of tegen zichzelf.

Ik heb nog even overwogen om de doosjes niet te verbranden, maar de inhoud in een kruik te doen en te laten wegdrijven in de haven, een ritueel afscheid. Misschien zou ik ze dan nog terugvinden, wanneer ik ze echt zou missen. Ik heb zelfs een kruik gekocht maar zodra ik de doosjes pakte kwam er nog een weerstand over me heen, zette ik ze weer terug en liep de kamer uit alsof ik een wandaad zou begaan. De moeite om de doosjes mee te nemen, lag ook in het idee dat de inhoud onlosmakelijk was verbonden aan die kamer. 

Ik ben inmiddels begonnen met het ordenen van alle inhoud, en wil een chronologische volgorde aanhouden. Het was een idee van Eef. 

‘Schrijf de herinneringen bij die briefjes eens op in een codex, misschien kun je er dan vrede mee hebben, dan ga je straks ook anders op reis’, was haar raad.

‘Schrijf ze aan iemand die niet bestaat’, was haar volgende tip, ‘Dat heeft die schrijver over de timmermanzoon uit Bethlehem ook gedaan, dat weet je toch wel?[2]’ 

Ja dat wist ik wel , maar ik kende geen vrienden en ik had ook geen leidsman. Welke toon moest ik aanslaan tegen die onbekende? Auteurs die ik had gelezen, schreven zelfingenomen.

Hun taal was streng, bijna wettisch. Plato is trots, hij voelt zich boven iedereen verheven. Gewone mensen zijn dom. Aristoteles is ook populair bij de aristocratie. Zijn denken is heel systematisch en geordend beschreven.  Mij komt zijn leer voor als schone schijn. Het is retorica. Moedige taal, rechtvaardige taal van iemand die zichzelf wil  overtuigen en aanzien wil verwerven onder zijn lezers: ‘Kijk die Aristoteles eens goed zijn’. Maar is zijn ethiek van deugden niet een grote vernislaag om angsten te overwinnen en aanzien te verwerven? Wanneer ik maar vaak genoeg roep dat ik niet bang ben, dan verdring ik de angst en ga ik me ook tegenover de buitenwereld groot houden: ik zal laten zien dat ik iemand ben. Dat is toch schone schijn?

Mijn aantekeningen verraden eerder het tegendeel.  Ik wist niet wie ik was, weet ik trouwens nog niet. Er waren mensen om me heen, die iemand waren of zichzelf iemand waanden met gezag waarvoor ik toch vooral bang was. Van tal van situaties had ik beschreven wat ze met me deden. Hoe gebeurtenissen mij voortdurend veranderden en waarom ik veranderde. Maar wie dit moest boeien, wist ik ook weer niet.

 

Dubbelleven

 

Voor ik de inhoud van de mappen en doosjes behandel, ga ik eerst iets vertellen over mijn jeugd wat best lastig is, want er waren een aantal zaken dubbel:  één van pa en één van ma. We hadden twee talen, twee kalenders, twee soorten geloof en ik ging naar twee scholen. Er was maar één ding enkel en dat was ik. Ik ben enigst kind. Om toch orde te scheppen in het geheel maakte ik lijstjes toen ik leerde schrijven. 

Op de school van pa leerde ik lezen en schrijven van een oudere mevrouw. Grieks was de taal van de wereld, betoogde pa. Die taal moest ik jong leren, het was 805[3] ab urbe condita dat ik daar begon. Maar eigenlijk mag ik dat niet zo zeggen in het openbaar, het is een belediging van de keizer het was het 1e  jaar van Titus Flavius Vespasianus.  Wat later kregen we een mijnheer, die mooi kon vertellen over Griekse tragedies. Ik heb er helaas weinig aantekeningen van gemaakt. Het was lastig om er thuis over te vertellen. Ma wilde niet dat ik thuis over de Griekse tragedies sprak. Het waren verhalen van gojiem en daar moest ik niks mee willen. Ma moest zelfs niks van Grieks hebben, ze sprak Aramees, wie het niet kende moest het maar leren. Een belangrijk deel van mijn aantekeningen houdt verband met de ‘school van ma’. De school was maar één middag in de week op de 1ste dag van de ‘kalender van ma’ die 7 dagen kende, dat doorkruiste soms de school van pa waar de Griekse kalender werd gehanteerd met 8 dagen. Dan moest ik me haasten van de school van pa, naar de school van ma.  Dan hadden we ook nog eens extra ingevoegde maanden om in de pas te blijven met de jaargetijden, maar dat laat ik hier rusten.

Ik begon op de ‘school van ma’ samen met Sascha in 3831[4]  volgens de kalender van ma, een jaar later dus dan op de school van pa.  Sascha is de oudste dochter van Aron en Lea. Ma en Lea kennen elkaar al heel lang. Ma was vriendin met Eva, de zus van Lea.  Eva was getrouwd met de broer van pa, oom Jesse, maar zij leeft niet meer. Eva is dus mijn overleden tante die ik alleen ken van verhalen.

Ik leerde Sascha kennen bij oom.  Zelf ontdekte ik dat we één gemeenschappelijk noemer hadden, namelijk oom Jesse. ‘Mijn oom Jesse, was ook haar oom Jesse’. Die ontdekking deed ik overigens pas toen we beiden bij oom waren op een feestje. Sascha’s moeder, Lea, kende ik slechts van naam. Thuis hoorde ik dat ze vaak op de ligbank lag, vanwege haar zwakke gezondheid. Wat me wel opviel was dat er thuis heel anders over Aron en Lea werd gesproken, dan wanneer we aan de deur kwamen om Sascha op te halen voor de les. Ma gebruikte thuis een andere toon: ’Lea’, klonk thuis neerbuigend.  Wanneer we Sascha na de les weer naar huis brachten, was het op een hogere toon, opgewekt, vrolijk: ‘Doe je de groeten aan Lea?’

 

Mijn naam

We kregen Hebreeuwse les in een klein groepje van een vervreemde jongeman, met een onverzorgde baard en een knotje en een keppeltje op het hoofd. Hij kwam uit Caesarea en studeerde aan het Gumnasion[5], de taalles was voor hem een bijverdienste. Wat de man daar precies deed wist ik overigens niet want hij had alles behalve een atletische verschijning.

We begonnen met het alfabet en kleine woordjes dat kwam me wat kinderlijk over. Ma had me vaak voorgelezen en de letters aangewezen. Vervolgens tekenden we de symbolen één voor één, daarna de woorden en de zinnen, die moesten van rechts naar links worden opgeschreven dat was in het begin best lastig. De pink moest omhoog en de hand mocht niet leunen op het tablet van zachte klei anders werden de letters weer uitgeveegd of onleesbaar. We schreven onze namen, leerden woorden, maar dan zonder klinkers. Dat was voor de meeste kinderen wennen, zij hadden thuis kennelijk minder les gehad dan ik, hetgeen me nogal verbaasde.  Na enkele lessen mochten we onze namen schrijven op een stukje papyrus en mee naar huis nemen.

De leraar vertelde dat ‘Jesse’ is afgeleid van een joodse naam Jehosjoea [6]. Ik ging naar huis met ‘Jesse’, geschreven in het Hebreeuws  op papyrus en toonde het aan m’n moeder. 

Na het overschrijven kwam het opschrijven van een dictee. Ik moest goed luisteren naar de leraar met z’n grote kromme neus en zijn dikke lippen die hij heel langzaam kon bewegen want hij sprak sommige woorden toch iets anders uit dan ma. 

Ik had geen talenknobbel maar kon de lessen  goed volgen. De docent corrigeerde me  tijdens het lezen van een tekst zelden. Hij vroeg of mijn ouders soms uit Jeruzalem kwamen, hij kon het horen aan mijn accent.

Het schrijven was niet mijn sterkste kant. ‘Thuis meer oefenen in het schrijven’, was het advies aan ma.  De motivatie om naar ‘de school van ma’ te gaan werd gevoed door de verhalen van de docent.  Hij kon laten zien dat mensen vaak twee kanten hebben. De hoofdfiguren waren niet alleen sympathieke helden, die vochten tegen gevaarlijke vijanden, zoals Simson die in z’n eentje een heel volk de baas kon of David, de herdersjongen, die met een klein steentje een grote reus Goliath velde, maar ook gewone mensen die verliefd werden op de verkeerde vrouw en met haar vreeën wat soms een heel gedoe gaf[7]. Gegniffel in de klas, ook Sascha glimlachte. 

Ik bleef een beetje hangen bij de ontdekking dat mijn naam een afgeleide was van een Joodse naam, waar een hele boekrol[8] aan was gewijd. Natuurlijk had ma er over verteld, maar ik had me nooit gerealiseerd dat mijn naam was afgeleid van een vrijheidsstrijder, die het land Kanaän binnentrok onder de grote leider Mozes. Ik las over de vechtjas. Ik mocht de rol over Jehosjoea meenemen naar m’n kamer wanneer ik er maar voorzichtig mee was.

Wanneer ik uit de school van pa kwam, ging ik dus Hebreeuws lezen. Pa benadrukte dat er ook moderne Griekse schrijvers waren, maar ik bleef trouw de helden lezen van de docent aan de school van ma.

Ma genoot van mijn vlijt. Ik kreeg regelmatig complimentjes wanneer pa er niet was en ze corrigeerde me soms bij de uitspraak wanneer ze me hoorde hakkelen. Het huiswerk wierp z’n vruchten af op les, maar de vergaarde kennis bracht me ook in verwarring want ik voldeed in het geheel niet aan het profiel van die onverschrokken helden, die in het verkeerde bed lagen met de verkeerde vrouw maar toch grote daden verrichtten’.

Op een keer toen ma me weer hielp bij het lezen vroeg ik waarom ik geen Jehosjoea heette. Ze lachte en zei: ‘Je bent naar je oom vernoemd. Jesse is al generaties een naam in de familie van je vader. Met jouw naam draag je de traditie van de familie mee’.

‘Mijn naam gaat toch terug op die held die het land Kanaän veroverde?’ wierp ik op, ‘maar ik ben helemaal geen vechtjas’. Ma kwam nu naast me zitten en vertelde dat er meer namen teuggaan op de Tenach: ‘Niet iedereen die ‘David’ heet, zal koning worden’.

Ik was toch niet helemaal tevreden met de toelichting van ma. Dat kwam ook door de vertellingen van de docent. Naast de verhalen uit de Tenach vertelde hij over de jongste geschiedenis. Hij had sympathie voor de zeloten van Massada. Hij vertelde meeslepend over hun weerstand tegen de Romeinen. Dat sprak me aan. Hoe zij leefden. Allemaal mannen met een karakter en zuiver op de graad. Ik kon me ook niet voorstellen dat onder hen ook maar één persoon zou rondlopen met de naam Jesse, die met een keppeltje onder de arm naar school ging.  

 

 

Een dubbele moraal in een dubbel leven

 

Ik zat al enige tijd op school, maar op de eerst dag van de kalender van ma, dus na de sabbat  moest ik me steeds haasten uit de ‘school van pa’ naar huis, vervolgens naar het huis van Sascha om op tijd op de school van ma aan te komen. Dat stoorde me een beetje. Waarom moesten we Sascha ophalen, kon ze niet zelf komen? 

Er rezen meer ergernissen. Naar de school van pa moest ik geen keppeltje op dan kreeg ik ook geen lastige vragen, wist pa. Bij het huis van Sascha en op de ‘school van ma’  moest ik juist wel een keppeltje op. 

Onderweg naar Sascha zweeg ma, terwijl pa breedvoerig vertelde over alle gebouwen, wanneer hij mij in de ochtend naar school bracht. Vaak had hij het over het Museion, waar ik later zou studeren. Het was gebouwd in opdracht van Ptolemeus 1 Soter. Hij was nog generaal geweest bij de stichter van de stad Alexander de Grote.

Voor de grote gebouwen waren beroemd architecten aangetrokken zoals Sostratos. De vormgeving van de stad stond op naam van Dinocrates van Rhodes.

 

‘Kijk ma hier is het gumnasion van onze leraar, ze oefenen er naakt’, zei ik eens toen we naar school liepen. Haar antwoord was niet veel meer dan: ‘Doorlopen, we zijn al laat’. Na de paleistuinen gingen we rechts af de Deltawijk in waar veel Joden wonen. Vlak daarvoor moest ik het keppeltje opzetten.

‘Hier draag je een keppeltje, opzetten nu’. Wanneer we aankwamen bij het huis van Lea en Aron kwam dat bekende zinnetje met dat oneigenlijke stemmetje:

‘Dag Lea, gaat Sascha mee? Ja? Leuk’. Ik stoorde me dan aan m’n moeder over zo’n stomme vraag. Natuurlijk ging ze mee. Waarom stond ze hier anders?

Zodra Sascha een stap over de drempel had gezet zei ma steevast:

‘Jesse, geef Sascha een hand!’ Ik gehoorzaamde. We liepen hand in hand als broer en zus door de drukke stegen van de wijk een stukje terug en kwamen bij een groot huis niet ver van het Museion. Ze nam dan afscheid met een vermaning: ‘Goed je best doen’.

Aanvankelijk gingen ma en een wacht mee vanwege de onrust op straat. Ze werd nerveus wanneer ze een groepje jongeren zag, ook al liepen ze aan de andere kant van de straat, ze keek dan met een vertrokken gezicht, de ogen iets dichtgeknepen en trok een sluier voor haar gezicht alsof er een zandstorm door de straat vloog of een zwerm muggen naderde.   

Ik stoorde me niet aan de jongens. Dit klinkt nogal stoer, ik had er geen last van met pa aan m’n zijde of een wacht die achter ons liep. Ik zag mijn vader als de ‘alleskunner’. Hij zat in de wijkraad en bekleedde daarmee een gezaghebbende positie. Ik dacht in die dagen dat hij onschendbaar was voor iedereen. Dat kwam me ook goed van pas want ik was niet bepaald een ondernemend type. 

Ik verbleef na school vaak op m’n kamer en een keer in de week ging ik naar oom Jesse op de werf waar ik tijden naar de schepen keek en naar alle mensen die daar werkten. Liever nog zat ik in de studeerkamer met al die rollen en codices die oom in loop der tijd had verzameld. Ik kon daar wegdromen. Ma noemde me daarom vaak ‘Jozef’.

Ik was geen goede gesprekspartner. Dat was ook wat ingewikkeld bij ons thuis. Gesprekken werden opgeluisterd met rituelen en gebruiken. Wanneer er gasten waren, mochten de bakjes met citroenwater niet ontbreken. Voor pa iets ging zeggen, doopte hij eerst de vingers in het bakje en veegde de vingers droog en schoon. Er volgde nog een kuchje en dan kwam er een gewichtige uitspraak die ik vaak niet begreep. Ma en de gasten volgden het voorbeeld van pa, maar dan zonder kuchje.

Op de vraag hoe we aan dit ritueel kwamen, was het antwoord: ’uit de familietraditie’.

‘Het ritueel vermijdt dat mensen door elkaar heen spreken. Je kunt dan ook zien wie er iets wil gaan zeggen’, verklaarde pa de functie van het geheel.  Sinds enige tijd deed ik daar ook aan mee, ik zie pa nog met enige trots lachen toen ik de eerste keer de vingers in het bakje doopte en het woord nam om van me te laten horen. Aan de gezichten zag ik echter dat mijn inbreng niet de hoogste ogen gooide, gasten doen dan wat ongemakkelijk of stoppen net iets teveel in de mond. Dus ik beperkte mijn bijdragen aan een gedachtewisseling tot een minimum.

 

De eerste briefwisseling met Sascha

 

Toen oom Jesse me eens het verhaal van Jozef uit de Tora voorlas, kwam er al snel een vervelend gevoel bij me boven[9]. ‘Jozef was de lieveling van z’n vader Jakob die thuis wat zat te spelen met lammetjes terwijl z’n broers met de kuddes op pad waren.’ Ma sprak me wel  aan met ‘Jozef’ wanneer ik haar irriteerde. De naam ‘Jozef’ had voor mij een vervelende bijklank. Vanaf dat moment kreeg ik een beeld van Jozef, of beter ik schiep een beeld. Jozef kwam me voor als een verwend watje die aan moeders rokken hing. 

Eenmaal thuis schreef ik een heel vel papyrus vol met ‘Jozef’. Een andere keer gaf oom weer een aantal velletjes papyrus mee in een map en vroeg hij hoe het ging met de Hebreeuwse les. Ik zweeg. Hij wist het antwoord al: ‘Sascha wil je misschien wel helpen. Ze is heel goed in schrijven. Dan komen jullie na les bij mij.  Drinken we samen thee en vervolgens kunnen jullie oefenen’. Oom poneerde het voorstel bij ma toen hij met me meeliep naar huis. Ma vond het een leuk idee. 

 

Mijn contact met Sascha kreeg een persoonlijk tintje toen we na de les bij oom Jesse op zijn kantoor een kop thee dronken, teksten lazen en oefenden in het schrijven. Na afloop  kregen we stukjes gesneden papyrus mee naar huis om brieven te schrijven. Vanaf die periode dateert de ‘correspondentie’ met Sascha die ik voor me heb in een taal die vrijwel niemand nog kon lezen of schrijven.

Ik heb onze briefwisseling, dankzij Ruth, nog vrijwel compleet op volgorde: mijn kladjes en de keurig geschreven reacties van Sascha. Maar ik vind het nog steeds lastig om er in te kijken, ik geneer me ook wel een beetje voor mezelf.

Sascha nam tijdens onze gezamenlijke studie steeds het initiatief. Ze had bij teksten al een eigen commentaar. Nu eens schreef ze me over de schepping. Ze wist heel zeker dat de aarde was geschapen in zeven dagen door de G”d van Abraham en niet door de Zeus in acht dagen.

In een ander schrijven betoogde ze dat Adam en Eva de eerste mensen waren op aarde en geen anderen[10]. ‘De wet van Mozes was de enig echte, de rest was allemaal fout’, schreef ze in haar commentaar. Tot dan toe gaf ik weinig weerwoord, zeker niet schriftelijk, maar ditmaal wilde ik toch reageren.

Van pa had ik gehoord dat er ook al oude teksten waren in Mesopotamië, die veel overeenkomsten hadden met de wetteksten in de Tora.  Mijn commentaar deed ik schriftelijk. De beste versie ging naar Sascha. Ze vond het best leesbaar. Ze was vooral blij dat ik had gereageerd. Een tijdlang had ik naar wegen gezocht om mijn gebrekkige schrijfvaardigheid te camoufleren door alleen mondeling te reageren. Voor Sascha verschool ik me sindsdien wat minder.

 

[1]Goj betekent (niet-Joods) volk; Gojiem (mv) volken, verwijst naar ‘leden van niet joodse volken’

 [2]Eef verwijst naar het traktaat van Lucas, het tweede boek van het nieuwe testament.

[3] De Romeinse kalender begint op 735 v. chr. 

[4]De Hebreeuwse kalender begint in 3761 v.chr.  Het scheppingsjaar van de wereld.

[5]γυμνάσιον  In het oude Griekenland fungeerde het gumnasion als een trainingsfaciliteit voor deelnemers aan openbare spelen. ‘Het Papendal’ uit de antieke periode waar later ook andere studies werden aangeboden.

 [6]Jesjoea  is een verkorte vorm van Jehosjoea (éäåùò), Jozua (voornaam). De Griekse spelling Jsou, Jezus (voornaam), is altijd vertaald Jesjoea in het Hebreeuws.

[7] Jesse verwijst hier naar het populaire verhaal van David en Bathseba in II Samuel 11: 1-27

[8] Jozua het 6e boek van het Oude Testament.

 [9] Tora is het eerste deel van de Tenach. Dit deel omvat de eerste 5 boeken van de bijbel. 

 [10] Genesis 1

 

Het boek omvat ca 530 pagina's (gedrukt) en komt in de tweede helft van januari 2021 beschikbaar. 

Het boek zal ook als E-book worden aangeboden.

 

 

 

Afdrukken