gezinsvorming, dat bepaal ik zelf

{AC} Vrouwen en aanstaande ouderparen worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid. Men spreekt nu eens van een familietraditie of de eer en status van de familie(naam). ACBR Meer ideologisch gedreven wijst men dan weer op de volheid van de natuur, de schepping, op de (sociale) cultuur en de harmonie in de samenleving om geboortebeperking dan wel gezinsvorming te stimuleren. Tenslotte worden voorgaande motieven nogal eens verpakt in een religie, men stelt dan namens een algemeen belang of een hogere entiteit of God te spreken. Hoe vrij zijn vrouwen/paren om het eigen leven in te richten als het gaat om gezinsplanning en gezinsvorming?{/AC}

{AC} Wat nu volgt is een wat ongemakkelijk boodschap, die uitloopt op de vraag: … u beslist wel zelf? 

Sociale controle.  De bescherming van de persoonlijke levenssfeer is een groot goed.  Wettelijke regelingen, codes en wachtwoorden bewaken de privacy en houden al te veel belangstelling van anderen buiten de deur. De werkgever, de verzekeraar en zelfs de overheid moeten pas op de plaats maken, als het gaat over de invulling van het http://www.bvmg.nl/images/Assyrian_tablet.jpgpersoonlijk leven. Dat wordt anders wanneer onderwerpen als gezinsvorming en gezinsplanning aan de orde komen. ACBR Bij deze onderwerpen is de ruimte voor de persoonlijke levenssfeer aanzienlijk beperkter. Er is kennelijk in het publieke veld een grote behoefte om de vrouw of het (toekomstig) ouderpaar te wijzen op de verantwoordelijkheid voor gameten (geslachtscellen), conceptie (bevruchting) en het zich ontwikkelende nieuwe menselijk leven. Anders gezegd: in het publieke domein wordt het noodzakelijk geacht de omgang met het voortplantingsmateriaal, de voortplantingstechnieken en het ongeboren leven te bewaken. {/AC}

{AC}Nu moet gezegd dat deze waakzaamheid al een lange traditie heeft. We vinden haar reeds in oude geschriften uit het Midden Oosten en het Verre Oosten.  Later treffen we haar aan in Oud-Israël en de klassieke Griekse en de Romeinse cultuur. We lezen niet alleen over offers van pasgeboren kinderen aan goden, geesten en demonen, maar ook over gedwongen vruchtafdrijving op last van de heer des huizes,  de eigenaar van de slavin, de echtgenoot http://www.bvmg.nl/images/bvmg/jt%20noonan%20jr1.jpg, de familie, de stadstaat of de staat. Allen hebben zo hun eigen belangen. Sommigen vrezen verbrokkeling van eigendom, of onttakeling van het lichaam van de vrouw. Anderen zijn bezorgd voor overbevolking, honger of volksopstand. {/AC}  

{AC}   Het statusmodel. Om deze praktijken een halt toe te roepen zijn er regelingen, morele codes en wetten ontwikkeld. Deze verordeningen kenmerken zich vooral hierin dat het verbod op de opzettelijke vruchtafdrijving wordt gemotiveerd met de stelling dat de ongeborene een zekere of volledige menselijke status heeft. Sommigen menen dat de ongeborene al van de conceptie een menselijke waardigheid heeft en anderen kiezen een later tijdstip in de ontwikkeling van de vrucht, bijvoorbeeld het moment dat de menselijke vorm is bereikt, of zodra de ongeborene levensvatbaarheid is. Deze opvattingen worden aangevuld met ideologisch geladen motieven, enkele voorbeelden: abortus maakt een verdere verwerkelijking van de ziel onmogelijk(boeddhisme); ACBR  abortus is een inbreuk op de harmonie in de natuur (Aristoteles en de Stoa); of: het ontneemt de mens in wording een levenskans (naturalisme/humanisme); of: het is een inbreuk op de sociale orde en het recht op nageslacht (jodendom). Soms wordt een krachtig signaal afgegeven. Abortus is verboden omdat een onschuldig persoon opzettelijk wordt gedood (katholieke moraalleer en islam); of wat afgezwakt: het wordt beschouwd als het doden van een mens in wording (liberaal christendom). Deze benaderingswijzen liggen ook aan de basis van huidige  wet- en regelgeving. ACBR Vruchtafdrijving wordt ook nu nog steeds bepaald aan de hand van de ontwikkelingsfase van de vrucht. Ik zal de benaderingswijze waarin het menselijk ingrijpen in gezinsplanning of gezinsvorming wordt beoordeeld op de (gedeeltelijke) menselijke waardigheid van gameten, embryo’s of ongeborenen het status model noemen. De katholieke moraalleer stelt bijvoorbeeld het embryo vanaf conceptie de menselijke waardigheid verdient. Opzettelijke vruchtafdrijving wordt volgens deze opvatting beschouwd als moord omdat de vrucht ‘het meest onschuldige menselijke wezen is dat men zich kan voorstellen’. {/AC}

{AC} Dilemma.  De vraag is thans of het statusmodel nog wel voldoet. De morele vragen die thans leven rondom gezinsplanning en gezinsvorming in de westerse democratische culturen, zijn niet meer te vergelijken met de problemen uit de oudheid of het verre verleden. De vrouw heeft nu immers recht op zelfbeschikking en kan zelf beslissen of zij de vrucht toekomst wil verlenen. De rechten van de vrouw op onschendbaarheid, integriteit en autonomie zijn immers voldoende gewaarborgd in universele verdragen en rechten. ACBR Daarmee is de vrucht voldoende beschermd tegen extern gevaar of dwang van buitenaf. Want niemand kan de vrucht afdrijven zonder ook inbreuk te plegen op de integriteit en onschendbaarheid van de vrouw. In een samenleving waarin man en vrouw gelijke rechten hebben en deze ook worden gewaarborgd door de overheid is het statusmodel in feite overbodig geworden. Toch?? {/AC}

{AC}  De geschiedenis achter het statusmodel. De zelfgekozen vruchtafdrijving is formeel een relatief nieuwe of jong fenomeen, zoals we al hebben geconstateerd. Ze http://www.bvmg.nl/images/bvmg/D.M.%20Feldman%20rabbi.jpgkwam immers formeel pas aan de orde toen de vrouw recht kreeg op volledige zelfbeschikking. Dat betekent niet dat de zelfgekozen vruchtafdrijving een onbekend verschijnsel was in het verleden. De praktijk in achterkamertjes en -steegjes werd echter bedekt met een grauwe mantel van ontkenning en voorgewende onwetendheid. Deze maatschappelijke ontkenning gold niet voor de therapeutische vruchtafdrijving, maar daarover later meer.  Het vraagstuk van de vruchtafdrijving staat tenminste al vanaf de 4e eeuw voor onze jaartelling op de agenda. ACBR Plato (427-345) schrijft er over in zijn Republiek, Boek 5;  Aristoteles (384-322) doet hetzelfde in Politiek, Boek 7,par.1335b; Cicero (106-43) verbaasde zich over de opvattingen van de joden, die geen abortus toepasten. , Aulus Cluentius 11,32;   Soranos van Efeze, (Gyneacologie I,II,III, IV,) en Claudius Galenos,  zijn enkele voorbeelden van denkers en artsen tot de eerste en de tweede eeuw van onze jaartelling, die hierover berichten. Echter na  Soranos en Galenos kwam de medisch-technische discussie over abortus  meer op de achtergrond. Er waren namelijk bezwaren tegen fysiek ingrijpen in het lichaam bij een invloedrijke  Romeinse denkrichting de Stoa. Zij waren van mening dat de mens niet in de natuur moet ingrijpen, maar het evenwicht in de natuur moeten bewaren, door een juiste levenshouding. Filosofische, antroposofische en religieuze stromingen zijn en worden tot op heden geïnspireerd door deze stoïcijnse opvatting, zo ook de westerse denkers. ACBR  Kortom de geneeskunst die een grote ontwikkeling had doorgemaakt ten aanzien van gezinsplanning en (therapeutische) vruchtafdrijving rond het begin van onze jaartelling kwam in een negatief daglicht te staan.Dat gold zeker voor alle ingrijpen in gezinsvorming en gezinsplanning. Wat resteerde was een theoretische en vooral filosofische  discussie over de ontwikkeling van de ziel.  In het vroege christendom en in de islam (Van Bommel et al. 2005) rezen er twee vragen namelijk a) heeft de vrucht een ziel?  En zo ja, vanaf welk moment in de zwangerschap? Anders gezegd: beschikt de vrucht over menselijk leven?  En zo ja, vanaf welk moment in de ontwikkeling? Vervolgens de tweede vraag  b) wie beschikt er over de ziel (het menselijk leven) de geestelijkheid of de medicus? {/AC}

{AC} Schisma. De door de Stoa geïnspireerde stromingen en de  geestelijkheid (christendom, islam, boeddhisme) waren vrijwel unaniem van mening dat de mens niet kan en mag beschikken over leven. Het leven is een cyclisch proces tot voltooiing, in handen van het natuurlijk lot, of de hogere macht of het behoort toe aan Allah of God. Hier ontstond een scherpe tegenstelling tussen de geestelijkheid en de seculiere medische stand. De laatste werd immers geconfronteerd met complicaties tijdens zwangerschap en geboorte en zag zich vanuit professie en de praktijk gedwongen om te handelen, om tenminste het leven van de vrouw te redden. Maar door dit te doen, ging hij volgens de geestelijkheid tegen de geboden van de kerk, want het betekende immers de dood van de ongeborene, of te wel het vernietigen van een ziel. ACBR Kortom: er rees in feite een machtsvraag: wie mag over het leven beslissen, of beter misschien: mag de mens wel over leven beschikken?  De machtige geestelijkheid (met inbegrip van het humanisme) kon gedurende vele eeuwen de opvatting over goede zorg in hoge mate beïnvloeden. Artsen waren daarmee gewaarschuwd om de grenzen niet te overschrijden.  Het statusmodel aanvankelijk ontwikkeld in het belang van de  vrouw en het ongeboren kind, keerde zich nu tegen de vrouw. De vrouw betaalde in feite de tol voor een ideologische machtsstrijd tussen geestelijkheid en profane medici. {/AC}

{AC} De escalatie. De tegenstellingen tussen geestelijkheid en medici werden scherper meer scherpte naarmate medici in de 19e en 20ste eeuw beter in staat waren een 

http://www.bvmg.nl/images/bvmg/casti%20connibii.jpgtherapeutische abortus veiliger uit te voeren. Medici beschouwden het als hun plicht zich te bekommeren om het lot van de (zieke) zwangere vrouw, nu men zich ook (weer) medisch technisch bekwaam achtte. ACBR De escalatie tussen geestelijkheid en medici wordt expliciet in sommige religieuze ethiek (Casti Connubii, § 63,64), waarin de therapeutische vruchtafdrijving ondubbelzinnig wordt veroordeeld op grond van de menselijk status van het embryo vanaf conceptie. Dat wil zeggen er is geen enkele rechtvaardiging voor een vruchtafdrijving ongeacht de omstandigheden. Deze stelling lag/ligt overigens nog steeds als een blauwdruk onder vele  wet- en regelgeving inzake gezinsplanning en gezinsvorming in oosterse en westerse samenlevingen. Sinds het derde kwart van de vorige eeuw is er een maatschappelijke kentering gaande op dit vlak, omdat het dilemma geleidelijk onder ogen wordt gebracht van de samenleving. ACBR De implicaties van het statusmodel voor de vrouw zijn in de recentere geschiedenis aangegeven door o.a. I. Jakobovits (1956); D.S. Bailey (1959), D. Feldman (1963), Judith Jarvis Thompson (1971).  De laatste reageert met name op de stelling in de katholieke moraalleer waarin de absolute beschermwaardigheid wordt bepleit. Thomson maakt geen bezwaar tegen het statusmodel als zodanig, maar tegen de tegenstrijdigheid in wet- en regelgeving in de westerse culturen, die het statusmodel teweegbrengt. Niemand kan – volgens Thompson-  gedwongen worden om z’n lichaam tegen de eigen wil in aan anderen ter beschikking te stellen, dat kan dus ook niet van de vrouw verwacht worden, wanneer ze tegen haar wil zwanger is.  {/AC} {AC} Thomson gaat hier- zoals we later nog zullen zien-  in op de inconsistentie die na Thomas van Aquino in de wetgeving was geslopen, namelijk dat het belagersbeginsel niet kon worden toegepast op de vrucht. Thompson staat haar kritiek aan de fundamenten van een uitspraak van de Supreme Court in de VS (1973, Roe vs.Wade) , waarin de inconsistentie in de wetgeving ongedaan wordt gemaakt. De wet tegen opzettelijke vruchtafdrijving op uitdrukkelijke wil van de vrouw wordt ongrondwettelijk verklaard op privaatrechtelijke gronden, van autonomie, integriteit en onschendbaarheid. In tal van westerlijke landen werd het voorbeeld van de VS (soms schoorvoetend) gevolgd. http://www.bvmg.nl/images/bvmg/J.J.%20Thompson.jpgACBR Daarmee kreeg de zelfgekozen vruchtafdrijving een zekere juridische acceptatie. De absolute onschendbare morele status werd geleidelijk losgelaten.  In de morele dialoog werd de vrucht gezien als een mens in wording met een toenemende beschermwaardigheid (E.Schroten et al. 1991).  De dialoog die volgde spitste zich vooral toe op de vraag wat is dan de status van de vrucht in  de verschillende stadia. Een dialoog die millennia eerder al eens werd gevoerd in Mesopotamië, Egypte, Griekenland, Alexandrië, en Rome. ACBR Sterker, er is in de VS (2015) – precies 42 jaar na Roe vs Wade - een wet ingediend die het verbiedt overheidsgeld te gebruiken voor de zelfgekozen vruchtafdrijving. Dat betekent dus opnieuw dat de zwangere vrouw op bepaalde terreinen solidariteit moet ontberen en van rechten verstoken blijft die anderen wel hebben. Soortgelijke bewegingen zien we ook in andere westerse landen, opkomen. {/AC}

Praktische gevolgen Uit dit alles blijkt dat een vrouw die op persoonlijke of andere redenen een vruchtafdrijving wenst nog maar moeizaam op maatschappelijke solidariteit kan rekenen. Achter gesloten deuren is er in besloten kring begrip voor het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw, maar in de maatschappelijke dialoog is de acceptatie dat de vrouw zelf kan beslissen over haar lichaam nog doorweven van argwaan. Dat beperkt zich niet tot pro-life bewegingen, maar ligt ook verankerd in de wet en regelgeving, die met restricties aaneen is geweven. ACBR

Een andere gezichtshoek.  Maar kan het ook anders? Ja, het kan anders. Sterker, ooit was het ook anders. We moeten daarvoor een stap terug maken in de geschiedenis. We hadden het al over die wettekst uit Mesopotamië, die later in de wetgeving van Oud-Israël is opgenomen: Ex.21 vs.22-23.  Nu gaat het me niet om de verklaringen en de uitleg  over de inhoud van deze tekst (J.te Lindert 1998). Maar om de morele dialoog die rond deze tekst is geweven aangaande de omgang met het ongeboren leven tot in de eerste eeuwen van onze jaartelling door de Tannaïm, de joodse denkers uit de eerste eeuw van onze jaartelling. Nadien vinden we het terug in de joodse medische ethiek. Duidelijke sporen van deze wet vinden we verder in de regelgeving inzake opzettelijke vruchtafdrijving binnen de islam.

Harmonie als kernwaarde  In de oorspronkelijke wet wordt wel het statusmodel gehanteerd, maar daar werd goeddeels aan voorbij gegaan. Dat is ook wel enigszins begrijpelijk, want in de vroeg-joodse cultuur vinden we geen aanwijzingen van geweld tegen zwangere vrouwen binnen familie of stamtraditie. Wat we wel zien dat in oorlogen zwangere vrouwen worden mishandeld en pasgeborenen worden verdronken of gedood. In het sociale leven speelt opzettelijke vruchtafdrijving in familie, stam of traditie om te grote gezinnen en overbevolking tegen te gaan geen rol. Veeleer is het omgekeerde het geval, namelijk de wens om groot volk te worden en derhalve ongewenste kinderloosheid een regelmatig terugkerend thema. Het hebben van kinderen is een recht voor de vrouw (oa. BT Yevamoth 65b). De man mag de echtgenote dan ook het sexuele contact niet onthouden (Ex,21:16,17). Het hebben van kinderen was naast een verlangen van persoonlijke verwerkelijking ook een sociale zekerheid. http://www.bvmg.nl/images/J.M.%20Riddle.jpgGezinsvorming werd derhalve gezien beschouwd als een streven naar persoonlijke en sociale harmonie. Het streven naar zingeving in harmonie heeft er toe bijgedragen dat het maatschappelijk draagvlak voor de behandeling van individuele vraagstukken omtrent gezinsplanning en gezinsvorming groot was. Dat maakte de voornoemde wet echter niet betekenisloos.Er is een moreel en vooral pragmatisch concept aan deze wet gehangen. Dat concept staat los van externe bedreigingen van de zwangere vrouw door derden om welke reden dan ook, maar is specifiek gericht op (mogelijke) complicaties tijdens de zwangerschap en de geboorte en de gevolgen voor de vrouw en het gezin in harmonie te regelen.

Het harmoniemodel Het morele concept dat werd gehanteerd om gezinsplanning en gezinsvorming moreel te duiden zal ik aanduiden als het harmoniemodel. Het handelen inzake gezinsplanning en gezinsvorming stond vrijwel geheel ten dienste van de harmonie in het leven van de vrouw, de harmonie in de relatie van man en vrouw en de harmonie in de gemeenschap en samenleving. Dat uitte zich in een vrij algemene praktijk van gezinsplanning waarin anticonceptie en de behandeling van complicaties in de eerste fase van de zwangerschap.  Maar hoe geef je dat zo vorm in een moreel concept dat het systematisch, acceptabel en werkbaar is? 

Dij van de vrouw Nu komen we op een belangrijk kenmerk van het harmoniemodel. We zagen eerder in het statusmodel dat de vrucht een menselijke waardigheid werd toegekend.  In het harmoniemodel werd de menselijke status van de vrucht gemeden. Men maakte een overstap naar de medische gezichtspunten van die dagen en de menselijke (emotionele) ervaring. In de geneeskunde werden de organen in en zintuigen en ledematen van de mens gezien als afzonderlijke entiteiten die onderling waren verbonden en samenwerkten. Deze benadering van het menselijk lichaam vinden we ook nauwkeurig beschreven bij Aristoteles, Soranos van Efeze, Galenos. Die voorstelling hebben we nodig om niet alleen het harmoniemodel maar ook om de joodse visie op geneeskunde te begrijpen.

In het verlengde van het voorgaande ligt het nu voor de hand om ook de vrucht als een ‘orgaan van de vrouw’ aan te duiden. En dat gebeurde ook: de vrucht werd aangeduid als de dij van de vrouw. De dij werd ook beschouwd als het emotioneel centrum van de mens.  Deze fysiologische voorstelling van de vrucht was tegelijkertijd moreel geladen in meerdere lagen. De vrucht werd net als de andere organen beschouwd als een eigen entiteit die in harmonie leefde met andere entiteiten in haar omgeving. Maar allen in één grotere omgeving: de vrouw.  Juist omdat de vrucht werd omgeven door de vrouw genoot de ongeborene in feite een menselijke onschendbaarheid.

Belager Wie de harmonie in de samenleving bedreigt door diefstal, oproer, geweld of moord werd aangemerkt als een belager. En afhankelijk van zijn daad werd hij veroordeeld. Van een dief werd in vroeger tijden de hand afgehakt.  Wie zijn begeerte niet kon bedwingen werd een oog ontnomen. Dat was niet alleen straf, maar men http://www.bvmg.nl/images/bvmg/D.S.%20Bailey.jpgveronderstelde ook een helingsproces bij de dader of belager. De entiteit die had gestolen werd immers verwijderd.  Zodat de dader weer in harmonie kwam met zichzelf,  de belaagde en de samenleving. Een belager die het gemunt heeft op de ongeborene kan echter niet om de vrouw heen. Een belager- zo was de redenering - kan ‘het orgaan’ niet  bedreigen of vernietigen zonder de integriteit van de vrouw te schenden en daarvoor zal hij gestraft worden. Een afzonderlijk regeling voor de bescherming van de vrucht naast het reeds bestaande recht van ieder persoon op onschendbaarheid werd daarom overbodig geacht, ook al omdat er geen maatschappelijk probleem werd onderkend, zoals we eerder stelden.

Implicatie van het harmoniemodel Vanuit ditzelfde juridische perspectief werd ook gezinsplanning en opzettelijke vruchtafdrijving verdedigd en gerechtvaardigd. De redenering was kortweg als volgt: zintuigen, ledenmaten en organen kunnen ook de harmonie in het lichaam of in de gemeenschap bedreigen. In geval van complicaties tijdens  de zwangerschap werd de vrucht gezien als belager van de vrouw.  Om de harmonie in het leven van de vrouw te herstellen was het noodzakelijk om de belager te verwijderen. Embryotomie was dan ook niet alleen een toegestane medische handeling. Sterker van de arts werd verwacht dat hij z’n plicht deed om de harmonie te herstellen.  Niemand - zo luidde het beginsel - blijft onberoerd bij het bloed van de naaste. Omzien naar de naaste die wordt bedreigd door een belager, werd verstaan als een morele plicht. Nog anders gezegd: De regelgeving in de samenleving gebood de arts om waar mogelijk de harmonie te herstellen. Uit verklaringen van Philo, de vroeg-joodse leermeesters en uitlatingen van Tertullianus blijkt dat deze praktijk ook met brede instemming werd uitgeoefend. Ze ging nog verder. Ook een mogelijk complicatie betekende een mogelijke belaging behoorde men te verhinderen. Daarmee werd niet alleen anticonceptie verdedigd maar ook de preventieve vruchtafdrijving om gevaar voor de vrouw te voorkomen. Inmiddels heeft u mogelijk opgemerkt dat deze benadering opvallend overeenkomsten vertoond met het betoog dat Judith Jarvis Thompson heeft gehouden inzake de zelfgekozen vruchtafdrijving. Dat is niet helemaal toevallig, zo hopen we u in het vervolg  te tonen.

Dilemma Vooral de in de stoïcijnse leer onderwezen medici en joodse leermeester stonden sceptisch tegenover de ontwikkelingen in de geneeskunst. Zij verzetten zich tegen de ‘barbaarse’ praktijken en de gevolgde redeneringen. Het belagersbeginsel als morele rechtvaardiging van de therapeutische abortus werd als ondeugdelijk afgewezen. Men was er zich niet alleen van bewust dat therapeutische abortus/embryotomie het doden van een mens (in wording) betekende, maar ook dat deze mens (in wording) niet kon worden beschouwd als een belager in juridische zin, namelijk een persoon die de vrouw opzettelijk wilde doden. De vrucht handelt niet opzettelijk en kan derhalve niet als de belager van de vrouw worden aangemerkt. En wanneer de vrucht niet kan worden opgevat als een belager van zijn moeder dan is het opzettelijk doden van de (levende) vrucht hoe dan ook moord, zo hielden sommige joodse leermeesters hun leerlingen voor. Kortom: het belagersbeginsel als morele rechtvaardiging voldeed niet. Uit deze bezwaren valt op te maken dat een morele theorie voor de rechtvaardiging van de therapeutische vruchtafdrijving /embryotomie tenminste aan twee voorwaarden moest voldoen. Ten eerste moest de therapeutische abortus/ embryotomie op een zodanige wijze worden verantwoord dat foeticide verboden bleef. Dat wil zeggen: abortus of embryotomie was alleen toegestaan wanneer daarvoor een zwaarwegende reden kon worden aangevoerd. In de meeste gevallen betekende dit dat de zwangerschap of de geboorte een bedreiging vormde voor de vrouw. Ten tweede moest de theorie voldoen aan de bestaande opvattingen over de vrucht, namelijk dat de vrucht niet bewust handelt.

De aberatio ictus Om dit probleem het hoofd te bieden, keerden de joodse denkers terug naar de wettekst uit Ex.21: 22vv.. Met name de omschrijving van de situatie trok de aandacht: "Wanneer mannen twisten en zij slaan een zwangere vrouw en haar kinderen worden geboren..." . Deze situatie werd verklaard als een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarbij de vrouw onopzettelijk wordt getroffen met het gevolg dat ze van haar kinderen bevalt. Een gebeurtenis die aanvankelijk uit plichtbesef begon, maar met gevolgen die niemand heeft voorzien en niemand heeft gewild, een zogenoemde aberatio ictus.  De aberatio ictus heeft  betrekking op situaties waarbij persoon (a) een belager (b) van een bedreigde persoon (c) wil slaan maar onopzettelijk een omstander (d) treft.

De logische vergelijking Deze situatie -  zo stelde men - is goed te vergelijken met de situatie waarin de arts of vroedvrouw zich bevindt bij een zieke zwangere vrouw .  Nu is de vraag aan de orde of arts (a) moet worden vervolgd indien hij niet alleen de belager (dat is de ziekte) (b) van de zwangere vrouw c, maar (ook) een onschuldige vrucht (d) doodt. Immers de vrucht (d) is onschuldig en zijn dood zou de arts (a) kunnen worden aangerekend. De redenering is nu als volgt: De arts of vroedvrouw heeft niet de intentie om de ongeborene bewust te doden, maar heeft wel de plicht om het leven van de vrouw redden en alles in het werk te stellen om haar te genezen.  Dat een ziekte of complicatie tijdens de zwangerschap niet bewust wordt veroorzaakt door de vrucht, neemt niet weg dat er wel een bedreiging van de vrouw is. Dat die ziekte (die belager) onlosmakelijk verband houdt met de zwangerschap is niet de verantwoordelijkheid van de arts of vroedvrouw.  Om de bedreiging van de vrouw op te heffen kan de arts niet anders – indien er geen andere alternatieven zijn -  dan de zwangerschap beëindigen. De uitkomst is dus dat arts (a) niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de dood van een vrucht wanneer hij een zwangere vrouw poogt te bevrijden van haar kwaal. Alleen in het geval dat de arts (a) opzettelijk vrucht (d) doodt, is hij schuldig aan moord.

De opkomst van het christendom. Of artsen lange tijd het harmoniemodel hebben toegepast, staat allerminst vast. Twijfel daaromtrent wordt niet veroorzaakt door het gebrek aan patiënten, maar door het verval van het romeinse imperium en de opkomst van het christendom, dat is geïnspireerd door het denken van de Stoa. De Stoa stond afwijzend tegenover het ingrijpen in het menselijk lichaam, zoals we al hebben gezien. In feite stonden twee medisch-filosofische  gezichtspunten lijnrecht tegenover elkaar: de stoïcijnse en de alexandrijnse school . Wie stelt – zoals de Stoa- dat het lichaam een eenheid is, dat in evenwicht moet worden gehouden door een zuivere levenswandel, kan niet ingrijpen in de lichaam zonder het evenwicht te verliezen.  Wie stelt – zoals de toenmalige Alexandrijnse school - dat het lichaam is opgebouwd uit afzonderlijke entiteiten die samen een evenwicht kunnen vormen, kan ingrijpen in het lichaam wel aanvaarden om het evenwicht te herstellen. Op deze medische zienswijze is het harmoniemodel in feite gestoeld.

De gedachte dat een evenwichtige  levenswandel, preventieve werking heeft, sloot nauw aan bij het gedachtegoed dat de christenen predikten. Met nadrukkelijk wel de kanttekening dat de mens niet zelf in staat is tot die evenwichtige levenswandel maar zich eerbiedig moet buigen naar de wil van de Schepper die alles heeft gemaakt. Deze leer sprak velen aan in de weerbarstige praktijk van alle dag. In het christendom ontstond van meet af aan dan een zekere argwaan tegenover artsen en apothekers,  ook al omdat velen medewerking verleenden aan een door de familie afgedwongen abortus of medicamenten verstrekten met een aborterende werking. Christelijke denkers beschouwden deze handelwijze als het doden van een mens en dus moord, omdat de ongeborene – zodra hij is gevormd- een ziel heeft ontvangen van de Schepper. Het (christelijke) westen hanteerde vanaf haar ontstaan in de eerste eeuwen van onze jaartelling weer het statusmodel om het ongeboren leven te beschermen tegen de familieoudste/ familieoudste of pater familias te beschermen. Complicaties in de zwangerschap werden in feite beschouwd als een onevenwichtige levenswandel (Stoa) danwel in zekere mate een noodlot of straf van de god of godheid, die alleen door een goede levenswandel en/of door devotie en gebed en vergeving van zonden konden worden genezen.

Twee modellen We hebben nu in grote lijnen de ontstaansgeschiedenis van twee concepten geschetst voor de benadering van gezinsplanning en gezinsvorming: het statusmodel en het harmoniemodel. Twee concepten ontwikkeld vanuit uiteenlopende culturen met verschillende opvattingen over mens, relatie en samenleving. Maar ook opvallende verschillen in de morele benadering. Achter het statusmodel schuilt de gedachte van de kosmos. De natuurlijke werkelijkheid is volkomen en goed.  De zwakke schakel is de mens en zijn verlangen en zinnelijke begeerte. Wanneer hij in staat is zich daarvan los te maken, blijft het natuurlijk evenwicht in stand.

1000 jaar verder; in een zinkend schipHet harmoniemodel is vervolgens verder ontwikkeld. We zien het – en dan maken we een stap van 1000 jaar-  bij  Maimonides weer terug. We vallen in lopende discussie tussen joodse, islamitische en christelijke denkers in het huidige Spanje. Maimonides doorzag dat het statusmodel dat door zijn http://www.bvmg.nl/images/bvmg/I.Jakobovits.jpgchristelijke en islamitische gesprekspartners werd gehanteerd onvoldoende aanknopingspunten bood voor de rechtvaardiging van de therapeutische vruchtafdrijving. Aan de hand van een analogie van een zinkend schip introduceert Maimonides dan een variant van het harmoniemodel, die het midden houdt tussen het belagersbeginsel en de aberratio ictus. De analogie van het zinkende schip komt er in het kort op neer dat het iemand is toegestaan de bagage van een ander overboord te werpen om zo het schip voor zinken te behoeden en de bemanning te redden. Kortom: hoewel de bagage geen directe bedreiging vormt voor de bemanning en niet als belager kan worden aangemerkt, wordt de bagage bewust overboord gezet omdat hij een (mogelijke) hindernis is om veilig een haven binnen te varen. Vertaald naar het vraagstuk van de therapeutische vruchtafdrijving impliceert de analogie van het zinkende schip om te beginnen dat er een aanleiding moet zijn voor het afbreken van een zwangerschap. Het willekeurig doden van de vrucht is niet toegestaan. Daarentegen is een therapeutische abortus/embryotomie ook toegestaan ook wanneer de vrucht geen belager is. Meer nog: een abortus/embryotomie is toegestaan zonder dat een specifieke dader is aan te wijzen. Het gegeven dat een zwangerschap de vitale belangen van de vrouw in de weg staat of dat er een gerede kans is dat er gevaar gaat dreigen, is een voldoende reden om een abortus te rechtvaardigen. We merken verder op dat in de analogie van het zinkende schip de actor - de persoon die de bagage overboord zet - niet alleen het belang van de eigenaar van de bagage op het oog heeft, maar dat van de gehele bemanning. Hieruit zou men kunnen concluderen dat een therapeutische vruchtafdrijving niet alleen is toegestaan wanneer de belangen van de vrouw in het geding zijn, maar ook wanneer de belangen van haar echtgenoot, haar gezin en de gemeenschap waarin ze leeft in het geding komen. We kunnen hier bijvoorbeeld denken aan sociale, economische of mentale belasting van een zwangerschap voor vrouw, gezin en omgeving. Het standpunt van Maimonides inzake de therapeutische vruchtafdrijving is dus aanzienlijk ruimer dan we tot nu toe zagen bij de Tannaïm. Maimonides verwerpt hiermee de opvatting van vele van zijn voorgangers dat er sprake moet zijn van een actuele en aanwijsbare belager.  Het standpunt van Maimonides drukt vervolgens  zwaar op  de joodse ethiek van het tweede millennium. Dat betekent niet dat er volledige overeenstemming is over de vraag wanneer er sprake is van therapeutische abortus. Sommigen zijn van mening dat een therapeutische abortus alleen is toegestaan wanneer het leven van de vrouw in het geding is. Anderen pleiten op grond van Maimonides’ analogie van het zinkende schip voor een ruimere regeling. Zij zijn van mening dat ook psychische en sociale factoren en het welzijn van het toekomstige kind een reden kunnen zijn voor een therapeutische abortus. De vraag rijst geleidelijk wat nog het onderscheid is tussen deze zienswijze van Maimonides en de opvatting van oa. Thompson over de zelfgekozen vruchtafdrijving?  

“Placidus, Placidus pas op…” Niet alleen joodse maar ook christelijke denkers werden door de opvattingen van Maimonides beïnvloed. Thomas van Aquino, bijvoorbeeld, hij stelt dat een ieder zijn eigen leven mag redden, ook wanneer dat ten koste gaat van ‘iemand’. Thomas introduceert deze opvatting een eeuw na Maimonides in het debat over de therapeutische behandeling van zwangere vrouwen. Thomas plaatste zich in feite volledig buiten de gangbare opvattingen in de eigen kerk, waar het statusmodel  met kracht werd verdedigd. Het debat over therapeutische vruchtafdrijving erd in feite nieuw leven ingeblazen – rond de millenniumwisseling - met een discussie over de ‘Placidus-casus’, een variant van de casus in Ex.21:22. De ‘Placidus casus’ vertelt het verhaal van een zekere menner Placidus die, terwijl hij een span paarden ment, zijn zwangere vrouw overrijdt met het gevolg dat ze een miskraam krijgt. De vraag was aanvankelijk of Placidus verantwoordelijk kon worden gehouden voor het veroorzaken van een miskraam, indien er geen opzet in het spel was. Doch al snel dook de vraag op welke straf er moest gelden, indien Placidus zijn vrouw opzettelijk zou hebben overreden of indien hij ondoordacht zou hebben gehandeld, door te experimenteren met een vreemd span in aanwezigheid van zijn zwangere vrouw?  Placidus werd – binnen het christendom- veroordeeld volgens de maatstaven van het statusmodel, zoals verwacht mocht worden. Het doden van een bezielde vrucht werd als moord aangemerkt.

Christendom en Boeddhisme Maar er was meer. Omwille van het heil van de ziel van het kind diende elk kind gedoopt te worden. Een vruchtafdrijving  maakte die doop onmogelijk en werd derhalve als een doodzonde afgeschilderd. In het Boedhisme zien we een soortgelijke opvatting, wanneer wordt gesproken over de verstoring van de ontwikkeling van de ziel. (Van Bommel, 2005). Om de stelling kracht bij te zetten, gingen er verhalen rond van ongedoopte kinderen wier ziel waarde door het hellevuur. De idee dat de ziel van haar kind smartelijk rondwaarde door het hellevuur, moest zwangere vrouwen ervan weerhouden om een vroedvrouw of een arts te raadplegen in geval van complicaties tijdens de zwangerschap. De gevolgen lieten zich raden.

Een vermeden dialoog. Om een oeverloze discussie te vermijden over het moment van de bezieling stelde de geestelijkheid vervolgens dat elke (therapeutische) vruchtafdrijving als het doden van een ongedoopt kind moest worden verstaan. Het formele argument voor deze stelling ontleende men aan een commentaar van Bernard van Pavia op de Hebreeuwse lezing van de wettekst in Ex.21:22-23. Hij had opgemerkt dat de strafmaat in deze wettekst verschillende verklaringen toelaat. Een van die verklaringen is dat het doden van de vrucht - ongeacht het stadium van de zwangerschap - als moord moet worden verstaan. Bernard en velen met hem wilden niet het risico lopen dat een (mogelijke) regel uit de Schrift zou worden overtreden en stelden derhalve dat het doden van de vrucht onder alle omstandigheden is verboden. Deze radicale opstelling riep echter weerstanden op in de vroege Middeleeuwen, juist toen de geschriften van Aristoteles en anderen opnieuw werden ondekt.

Thomas van Aquino en Thompsons dilemma Niet alleen artsen en juristen maar ook sommige christelijke denkers konden zich niet vinden in de standpunten van de kerk. Dit verzet groeide toen Europa in aanraking kwam met de klassieke en laat antieke medische studies en de natuurfilosofie van Aristoteles. Thomas van Aquino introduceerde , met de klassiek denkers onder de arm, een voor zijn tijd gematigde leer inzake vruchtafdrijving, die het midden hield tussen de verlichte opvattingen van zijn leermeester Albertus Magnus en de leer van de kerk. Zo was hij van mening dat een opzettelijke vruchtafdrijving  van de onbezielde vrucht niet als moord kon worden beschouwd. Ook nam hij afstand van de verhalen van ongeborenen die in het vagevuur zweefden. Thomas van Aquino stelde zich op het standpunt dat een ieder het recht heeft om zichzelf tegen ‘iemand’ te beschermen.  Hij kreeg veel bijval voor zijn opvatting en deze werd al spoedig breed gedragen. De zelfbescherming is –volgens Thomas-  ook toegestaan wanneer dat fatale gevolgen heeft voor de betreffende persoon. Ook deze verklaring van het belagersbeginsel kon op brede instemming rekenen.

Maar… zijn stelling impliceerde evenwel ook dat een medische behandeling van een zieke zwangere vrouw is toegestaan, ook wanneer dat ten koste gaat van de vrucht. Hier werd Thomas door de kerk al snel gecorrigeerd. Het belagersbeginsel werd geaccepteerd, met één uitzondering namelijk die medische behandeling van ziek zwangere vrouwen, die de bezielde vrucht zouden kunnen bedreigen. Men stelde derhalve dat alleen de (onbezielde) vrucht in het eerste stadium van de zwangerschap als belager van de vrouw mocht worden aangemerkt. Dat wil zeggen dat het belagersbeginsel alleen mocht worden toegepast om een zwangere vrouw te behandelen, waarvan de vrucht nog in het onbezielde stadium verkeerde - dat is de eerste veertig dagen van de zwangerschap -. Op deze wijze kwam men niet rechtstreeks in botsing met de leer van Thomas van Aquino, maar het belagersbeginsel had voor wat betreft de medische behandeling van zwangere vrouwen in feite alleen nog theoretische betekenis.

http://www.bvmg.nl/images/bvmg/baas%20in%20eigen%20buik.jpgStandpunten verharden Deze opvattingen werden overigens ook buiten de kerk gehuldigd. Het hoeft echter nauwelijks betoog dat ernstige en levensbedreigende problemen tijdens een zwangerschap zich niet in de eerste veertig dagen voordoen, maar daarna en in het bijzonder bij de bevalling. Kritische geluiden van oa . Luther, Calvijn, Antonius van Cordoba en Theophile Raynaud veranderden weinig aan de heersende standpunten. In humanistische en protestantse kringen was er meer oog voor de nood van de vrouw, maar een concept en een specifieke eigen visie op therapeutische behandeling van zwangere vrouwen en gezinsvorming ontbrak.  Vanaf de 16e eeuw toen de geneeskunst zich sterker ontwikkelde en kritiek van medici sterker werd, stelden de morele gezagsdragers zich steeds nadrukkelijker op het standpunt dat de vrucht vrijwel absoluut onschendbaar is en er geen reden denkbaar is om ooit een vrucht bewust te doden (Casti Connubii, 1930).

De tweede helft van de twintigste eeuw wordt evenwel gekenmerkt door grote maatschappelijke veranderingen. Met de verschrikkingen van twee oorlogen nog vers in het http://www.bvmg.nl/images/bvmg/E.Schroten.jpggeheugen vond het pleidooi voor de onaantastbaarheid van het prille menselijke leven aanvankelijk in brede kring weerklank. Gaandeweg werd echter duidelijk dat er een gapende kloof was ontstaan tussen de traditionele opvattingen van ideologische en religieuze stromingen enerzijds en de veranderende samenleving anderzijds. In tal van beschouwingen kwamen de traditionele opvattingen ter discussie te staan. Een bepalend voorbeeld daarvan is het abortusdebat waarmee we dit assay openden, dat vrijwel volledig werd beheerst door bezwaren tegen het statusmodel en een openlijke verdediging van abortus door J.J. Thomson. Ze haakt in bij Maimonides en Thomas van Aquino en maakt bezwaar tegen de uitzondering die al in de Middeleeuwen is gemaakt om de behandeling van zwangere vrouwen te vermijden, wanneer het risico van vruchtafdrijving aanwezig is.

Conclusies: ethiek is mensenwerk Na deze globale gang door de geschiedenis, komen we terug bij de vraag kan de dialoog over gezinsplanning en gezinsvorming ook anders worden gevoerd en kan de geschiedenis een handreiking bieden? Nu is het relatief eenvoudig om op het eerste deel van de vraag  bevestigend op te antwoorden. Maar wat een gang door de geschiedenis vooral leert is dat er niet één algemeen erkend gezichtspunt is dat van een hogere orde of godheid is gegeven. De opvattingen over gezinsplanning en gezinsvorming in de traditie zijn door mensen voor mensen ontwikkeld. Kortom: alle opvattingen over gezinsvorming en gezinsplanning zijn mensenwerk. Het claimen van bovenmenselijk gezag voor een (eigen) opvatting of gezichtspunt houdt vanuit ethisch gezichtspunt  geen stand en kan historisch worden weerlegd.

Ethiek is dynamisch In een lange traditie is gezocht naar oplossingen voor sociale-, maatschappelijke, medische en relationele problemen inzake gezinsvorming en gezinsplanning. Men deed dat met de kennis van toen, met de opvattingen van toen en met de idealen van toen. Van belang is, zich te realiseren dat Inzichten zijn veranderd, kennis is toegenomen en opvattingen zijn gewijzigd op tal van terreinen. Het kritiekloos en onverkort overnemen van historische opvattingen kan derhalve leiden tot verwarring en vooral van (totale) vervreemding. Daarnaast dient men zich te realiseren dat meningen veranderen. Wat toen goed was, hoeft dat nu niet meer te zijn. We zien dat toch vooral in de westerse moraalleer als het gaat om de interpretatie en toepassing van het statusmodel dat in sommige moraalleer onveranderd centraal wordt gesteld. Echter de ontdekking dat gebaande paden tot niets (meer) leiden, helpt ons ook om de goede weg te vinden.

Punten voor een morele route: moed De geschiedenis kan ons wellicht ook een stap verder helpen op een goede weg. Er zijn een aantal aandachtspunten die we hier kort willen benoemen. Ten eerste dit. Het harmoniemodel is ontstaan vanuit een kritische waarneming van de werkelijkheid en het benoemen van de problematiek. Er is kritische getoetst of bestaande kaders en modellen dienden te worden aangepast. In de geschiedenis is voortdurend gezocht naar passende oplossingen voor prangende zaken. Steeds, soms door slechts eenlingen, zijn problemen onder ogen gezien en oplossingen gezocht  om de idealen en waarden te handhaven. (bondig: Philo Judeaus, De Virtute 138). Daarvoor is een zekere moed nodig (Philo, Josephus, Ishmael, Maimonides, J.J. Thompson), ondanks te verwachten kritiek. Kortom: de traditie leert ons om morele moed te tonen bij behandeling van hachelijke onderwerpen. 

Alternatieven in het harmoniemodel Het harmoniemodel bevat namelijk enkele elementen en idealen die thans nog onverkort geldig zijn. Om te beginnen sluit het harmoniemodel aan bij de wens van relatie, gezinsvorming en gezinsplanning en daarmee aan eigentijdse opvattingen, regelingen en verordeningen zowel juridisch als moreel over gelijkwaardigheid van man en vrouw, autonomie, integriteit, privacy  en beslissingsbevoegdheid van de vrouw inzake gezinsplanning en gezinsvorming. Dit is een belangrijke voorwaarde voor het volgende orderdeel.

De status als ‘orgaan/dij van de vrouw’ De kracht van het model zit wat ons betreft in de benadering van de morele status van de vrucht, als deel van de vrouw of als dij van de vrouw.  Daarmee gaan we niet terug naar oeroude geneeskunst, maar juist de vrucht kan wel als een afzonderlijke entiteit worden aangemerkt die verbonden is met de vrouw, zonder in conflict te komen met eigentijdse medische inzichten. De verbondenheid heeft eerst en vooral een emotionele en relationele lading en pas dan een fysieke. Dat wil zeggen dat de vrouw de vrucht niet (enkel) waardeert op basis van fysiologische ontwikkeling in stadia van ontwikkeling, maar op basis van de persoonlijke ervaring in de actuele omstandigheden. Daarmee kan recht worden gedaan aan de actuele, de emotionele, de relationele en de morele ervaring in de persoonlijke situatie. Daarmee is de persoonlijke, emotionele en relationele ervaring van toenemende waardigheid die gekoppeld is aan de fysieke relatie van vrouw en vrucht niet ontkend.  Deze benadering  van de status van de vrucht biedt de mogelijkheid de gameten en/ of  het embryo dan wel de vrucht in verschillende voortplantingstechnieken in uiteenlopende omstandigheden en stadia te waarderen. Immers ook de ontwikkeling van een embryo buiten het lichaam kan als een belangrijk emotioneel moment worden ervaren, en is dat veelal ook. Het harmoniemodel biedt derhalve aansluiting bij de eigentijdse medisch-technische voortplantingstechnieken, zonder de persoonlijke ervaring en de eigen beslissingsbevoegdheid moreel te sturen of te beperken. We schreven “kan recht worden gedaan…” waarmee wil aangegeven zijn dat het harmoniemodel ruimte biedt aan persoonlijke waarden, idealen en argumenten in de overweging omtrent gezinsvorming en gezinsplanning. Met de finale vraag: wil ik (willen we) een (deze) vrucht toekomst verlenen?

Je moet zelf willen, in vrijheid en verantwoordelijkheid. Het harmoniemodel is in feite eerst en vooral ontstaan als een handreiking voor een ingrijpende en omstreden afweging namelijk die van de therapeutische of zelfgekozen vruchtafdrijving. Eerder al is gesteld dat de verklaring van Maimonides van het harmoniemodel nauwelijks nog een duidelijke scheidslijn is te trekken tussen een therapeutische en zelfgekozen vruchtafdrijving. Daarmee is niets gezegd over de morele of emotionele lading van de afweging, noch van de ernst van de situatie. Het model biedt echter slechts de mogelijkheid om alle facetten voor een zinvol leven naast elkaar te plaatsen. De moed om zelf te willen, om zelf vorm te geven aan het leven en zich niet laten te bepalen door anderen. Daarmee wordt het harmoniemodel er niet gemakkelijker op.  De kracht van het harmoniemodel is misschien ook wel de achilleshiel namelijk het is een model dat is toegesneden op de persoonlijke situatie. Verschuilen achter een wet, een plicht, een vermaning of algemene regel of traditie vanuit de samenleving kan niet meer. Je niet laten bepalen, maar zelf  bepalen. Autonomie betekent hier niet alleen je mag zelf willen, maar je moet zelf willen. Het is jouw vrijheid in verantwoordelijkheid.  De zelfbepaling maakt ook kwetsbaar in relatie, in kleine kring; achter gesloten deuren, maar ook in de samenleving. Het harmoniemodel staat en steunt op vertrouwen, op welgemeende gelijkwaardigheid, op solidariteit en op een gemeenschappelijk missie in relatie en samenleving. Deze relationele betrokkenheid is nodig om onwelgevallige beslissingen te durven nemen en gemeenschappelijk de verantwoordelijkheid te durven dragen voor de generatie van morgen. U beslist wel zelf... toch?  

Voor verder uitwerkingen en nadere achtergronden nodigen we u uit om andere delen van deze site te bezoeken.  Bepaalde historische facetten van dit essay zijn/worden nader uitgewerkt op grond van onderzoek van historische bronnen. Daarnaast zijn er verdere morele implicaties uitgewerkt van het harmoniemodel.  

 

Voor verdere uitwerkingen en nadere achtergronden nodigen we u uit om andere delen van deze site te bezoeken. 

Afdrukken