Een 'feel-good' theorie' II

De kracht van het individu. Vrijheid van meningsuiting heeft bij J.S. MIll vooral ook het doel om de samenleving levendig te houden. 

Bij Mill moet je het nogal bont maken, alvorens je vrijheden worden ingeperkt. Hij is een non-conformist: tegen de regels, tegen de gewoontes. Vrijheid van het individu is vooruitgang in de samenleving. Zijn theorie kent evenwel ook een Achilleshiel, waar het de mens of beter: het individu betreft: de kennis en het goede. Het mensbeeld is nogal zelfingenomen: als mens ben ik goed van nature en mijn ervaring is het richtsnoer van mijn handelen. Die houding leent zich niet gemakkelijk voor een dialoog met andersdenkenden. In de theorie van Mill kunnen die anders denkenden er eigenlijk niet zijn. Dat ze er wel zijn, betekent in feite dat ze nog niet echt hebben nagedacht over zichzelf en anderen. Of te bang zijn om erover na te denken. Mill en Nietzsche hebben ten aanzien van het mensbeeld wel wat overeenkomsten in hun opvattingen om de mens centraal te stellen en de afwijzing van de 'onderdrukkende slavenmoraal'. Ook die van de democratie, waarin de meerderheid de minderheid toch de wil oplegt.

De empirist Mill tegenover de idealist Kant. Mill botst in zijn theorie evenwel in opvattingen en doelstellingen met die van de ‘strenge’ Duitse filosoof I. Kant, zoals we zagen in deel 1. Kant moest niets hebben van een ‘feel-good’ theorie vanuit een goede natuur. De plicht tot redelijkheid maakt je los van allerlei tegenstrijdige ‘dierlijke ‘ verlangens, verslavingen, en platte eigen geneugten (arbitrium brutum).  Alleen de wil die onafhankelijk van de zintuiglijke aandriften bepaald kan worden, door motieven die alleen de rede kan voorstellen heet vrije wil. (arbitrium liberum, A802;B830). Wie besluiten neemt vanuit de vrije wil is  als redelijk wezen echt vrij om te kiezen. Maar er is nog iets: Kant en Mill verschillen over de herkomst en inhoud van het begrip 'kennis'  Mill is van mening dat je kennis vergaart door waarneming. Hij staat daarmee in een lange traditie van Klassieken. Kant verwerpt deze opvatting voor een deel. Je neemt waar, maar wat je waarneemt orden je met je verstand. Dat doe je voor een deel in (meta-)categoriëen van het verstand, zoals iedereen, maar voor een ander deel op jouw manier (idealist). Jouw oordeel hoeft niet gelijk te zijn aan het mijne, ook al zien we hetzelfde, omdat we  zaken anders waarderen vanwege onze verschillen als persoon, opleiding achtergrond etc.. Dit verschil heeft vergaande gevolgen. De empirist kan in feite geen dialoog aangaan met de idealist, anders dan alleen om het eigen gelijk te halen. Immers de ervaring van de empirist is altijd juist. Wie te hoop loopt tegen de empirist, ontkent de waarneming die de empirist gedaan heeft, je trapt hem als het ware op z'n ziel. In de benadering van Kant is dat anders. Kant kan de dialoog aangaan. Sterker: Kant weet dat de ander anders kijkt en oordeelt, omdat hij anders is opgevoed en/of andere ervaringen heeft. De idealist zoekt naar de beste motieven op basis van de redelijkheid en zoekt dan naar een zeker compromis in een breder maatschappelijk kader.

 “spreek mij vrij …, spreek mij vrij”. De opvattingen van Mill en Kant werken door in de hedendaagse sociaal- maatschappelijke en politieke verhoudingen en debatten in Nederland en Europa. Of anders gezegd: we kunnen het verschil van inzicht over de benadering van politieke en maatschappelijke vraagstukken enigszins verklaren vanuit het gedachtegoed van Mill en van Kant. Het mobiliseren van protestbewegingen en het oprichten van protestpartijen is een regelmatig terugkerend verschijnsel. Met slogans als “Stem nee, …”  en "wilt u meer of minder..."  en "we verlaten Europa..."| wordt uiting gegeven aan het gebrek aan  ‘feel-good’ ervaringen. Deze maatschappelijke ontwikkeling biedt een vruchtbare bodem voor ‘scherpe geesten’ (populisten) die inspelen op de verwrongen ervaringen in de heersende maatschappelijke orde. De orde die wordt bepaald door de meerderheid, die zich eenzijdig richt op de bevrediging van de begeerte van de eigen groep als norm voor geluk. Daarmee zijn in de westerse samenleving twee stromingen tegenover elkaar komen te staan: de goed bedeelden (winnaars) tegenover de slecht bedeelden (verliezers). Twee empiristische stromingen, - met een duidelijk dictatoriale inslag -die niet of zeer moeilijk te bewegen zijn om samen te werken. De eigen ervaring in elk van beide  collectieven wordt door toedoen van populistische leiders uitgangspunt van kennis, denken en doen. Is dit dan nog vrijheid van meningsuiting? “Ja zekere zin”. ‘Scherpe geesten’ vertolken nog immer de ervaringen van de groep. Maar,...zijn ze van belang in een democratisch stelsel?  “Neen, in een democratie zijn ze niet van belang”. Sterker nog: de democratie verdraagt geen (dictatoriaal)  empirisme. In een democratie is een mening alleen van belang wanneer daarover een redelijke dialoog mogelijk is. Die dialoog blijkt niet mogelijk want  politici (als Geert Wilders maar niet alleen hij) verklaren dat zij “niet anders kunnen dan de eigen opvatting volgen”. Of anders gezegd men heeft geen eigen vrije wil. Men is niet vrij van, of men wil en kan zich niet losmaken van denkbeelden en opvattingen. Hier dreigt het einde van de democratie, wanneer aan de integriteit van de rechtspraak wordt getornd.  Hier toont zich een bezwaar van Mill tegen de dictatoriale heersende klassen, maar we zien nu dezelfde trekken in de hedendaagse macht van de meerderheid. Die tweestrijd is politiek voortgewoekerd en wordt thans voor de rechter uitgevochten. Daar hoort het probleem echter helemaal niet. de politiek (=het volk) zal zelf eerst moeten kiezen of ze een democratie willen of een dictatuur van de meerderheid. Kiest men voor democratie dan zullen er mensen zijn die op redelijke gronden tegen Europa zijn, tegen vluchtelingen, tegen zwarte Piet zijn. Ja... nou ...en?? Er zullen ook burgers zijn die vluchtelingen willen opvangen en mensen uit andere culturen verwelkomen. Waarom niet? Niet iedereen hoeft het met iedereen eens te zijn. Sterker: het is beter dat ze het niet eens zijn. Maar je moet ze ook niet dwingen om het eens te zijn, je moet ze dwingen om redelijk te zijn. Kortom: de overheid zal een flinke stap terug moeten doen in het maken van oplossingen om die vervolgens aan burgers op te leggen. De overheid zal een flinke stap voorwaarts moeten doen om de burger de weg te doen vinden in het door hem of haar te ontwikkelen leven in de samenleving. In dat bestel passen geen politieke bewegingen die slechts bestaan bij de gratie van de macht. In dat kader is het bijzonder dat Geert Wilders hoger beroep heeft aangetekend tegen zijn veroordeling. Daarmee geeft hij ondanks z'n minachting voor de rechtstaat aan dat hij zich wil onderwerpen aan de democratische rechtsbeginselen. Daarmee geeft hij ook aan dat zijn doen en denken mag worden getoetst aan de (grond-)wet. In een consistent rechtsbestel kan dat weinig anders betekenen dan er toch wat wolken boven de PVV samenpakken, zoals op een zwoele zomeravond. Het politieke optreden van Wilders getuigt tot op heden niet van een constructieve visie op vrijheid van meningsuiting, die recht doet aan het welbevinden van groepen in de samenleving. 

Wie een democratisch bestel wenst, dient de vrijheid van de burger te waarborgen. Hier heeft Mill een belangrijk punt. Die burger heeft evenwel meer dan een goede wil; hij heeft ook een geweten. Beide dienen ontwikkeld te worden zodat een burger de vrijheid in verantwoordelijkheid kan aanvaarden. Dat gaat namelijk niet helemaal vanzelf. In de ontwikkeling van de westerse samenlevingen is dit onvoldoende uitgewerkt. In de drang om zich te ontworstelen aan de macht van de traditie is de toevlucht te zeer gezocht in de vrije ontwikkeling van de aangeboren antenne. In de afkeer van gezagsverhoudingen en plichtbetrachting heeft men over het hoofd gezien dat de Kantiaanse plicht tot redelijkheid ook echt vrij maakt. In plaats daarvan heeft men het eigen lot verbonden aan de platte begeerte en zowel Kant als Mill voor het eigen karretje gespannen. Het gaat er nu niet om of het zorgelijk is, wanneer grote groepen ‘onwillige’ of ‘willoze opvattingen’ volgen. Hier ligt een taak voor maatschappelijke bewegingen om beleid te ontwikkelen, die de harmonie in de samenleving herstelt, bewaart en bewaakt. Dat begint simpelweg met onderwijs. Leer jonge mensen denken in plaats van alleen de begeerte aan te wakkeren met loze beloftes. Hier is heel veel winst te behalen.