Ethiek, het begrip kennis

Wat de buitenwereld niet weet, is dat ik me in de avond opsluit op m'n werkkamer, een duik neem in de boeken en dan slaat de vertwijfeling toe. Van die zelfverzekerde grijsaard is dan niet zoveel meer over. Oorzaak van de vertwijfeling is dat veel van wat ik bedenk geen kennis is. Veel van hetgeen mij wordt aangeboden, is evenmin kennis.  Ik kan namelijk veel zaken die ik bedenk, hoor en lees niet ervaren, aantonen of beleven, simpelweg omdat ik ze niet kan waarnemen. Mijn kennis beperkt zich tot het waarneembare, zo stelt David Hume. Ik ken de boom in de achtertuin. Gelukkig beperkt zich mijn kennis niet tot mijn waarnemingen alleen, maar ook die van u en van jou waarover jullie mij vertellen. Maar dan moet het wel gaan over zintuiglijke waarnemingen, en niet over wat u bedenkt. Maar wat is dan die kennis? Wanneer u en ik een verschijnsel of een object zintuiglijk kunnen waarnemen, kennen we dan dat object. "Ja" zeggen Hume en zijn volgelingen. Ik betwijfel het zegt Immanuel Kant. Wat is het geval:  U en ik zien een object, maar hoe moeten we dat aanduiden? Wat we in de praktijk doen is dit: U en ik gaan van gedachten wisselen over onze ervaringen bij dat verschijnsel of object. We gaan dat verschijnsel of object een naam of een omschrijving geven. Die gedachtewisseling hebben we nodig want de waarneming en ervaring van u en mij kunnen beduidend verschillen. Samen kunnen we zoeken naar een beschrijving van kenmerken of eigenschappen vervat in een woord of definitie. David Hume stelde in navolging van Aristoteles, dat ik de boom in de achtertuin kende zodra ik hem zag. 'Nee, stelt Kant, het is veeleer zo dat ik de boom herken als boom omdat de boom in de achtertuin voldoet aan de omschrijving van een boom die ik leerde van mijn vader'. Ik kan nog iets meer zeggen van die boom. In de nazomer komen er ronde voorwerpen aan de boom, die hangen aan een klein steeltje. Na verloop van tijd vallen ze af en wanneer je het voorwerp doorsnijdt zie je in hart een aantal kleine pitjes en daaromheen zit een wit-roze massa. Alles is verpakt in een rood omhulsel.  Dit ronde voorwerp met al zijn kenmerken is benoemd als appel. Daarom hebben we afgesproken dat we deze boom een appelboom noemen. Vervolgens kunnen we samen kijken naar verdere details van de appelboom, waarover ook afspraken zijn gemaakt, zoals: de bast, de stam, de takken, de smaak van de appels en nog veel meer. Ken ik nu die appelboom in m'n achtertuin? Ja, in zekere zin ken ik die appelboom. Dat wil zeggen ik ken de omschrijving van een appelboom. En niet onbelangrijk: Ik weet dat alle andere mensen die de omschrijving van een appelboom kennen, 'mijn' boom zullen omschrijven als een appelboom. We kunnen vervolgens een dialoog voeren over onze kennis van appelbomen. Daarmee weet ik ook dat er bomen en struiken zijn die niet voldoen aan de omschrijving van de appelboom. Daarvoor bestaan ook omschrijvingen, maar die weet ik allemaal niet.

Wat in mijn herkenningsproces van de appelboom gebeurt is dat ik de waarneming van de boom combineer met mijn kennis van de definities van appelbomen. Dus ik heb niet alleen de waarneming nodig voor kennis, ik heb ook het verstand nodig om het object in m'n achtertuin te kunnen duiden in de categorie van bomen, nader gespecificeerd in de subcategorie: appelboom. Weet ik nu iets van die appelboom zelf?  Nee, eigenlijk weet ik er niks van. Ik kan me namelijk helemaal niet voorstellen hoe is om in het voorjaar bloemen te hebben, ik weet ook niet het is om met wortels in de grond te staan en in weer en wind de kou te verdragen. We kunnen de waarneming van de appelboom nog heel veel verder uitbreiden, maar dat helpt niet om de boom in zichzelf te leren ervaren of kennen. Daarover kan ik dus niet met u van gedachten wisselen op grond van kennis. En er duikt nog een verschil op tussen u en mij. Ik weet namelijk ook niet hoe u die appelboom waardeert.  Ik beschouw een appelboom in de tuin als mooi, maar dat hoeft het voor u helemaal niet te zijn.  Door middel van een dialoog hierover kan ik mogelijk begrip opbrengen voor uw oordeel en poog ik erkenning te krijgen voor mijn gezichtspunten. Door uw inbreng ga ik met andere ogen kijken naar een object, want mijn waarneming is nogal selectief. U begrijpt inmiddels dat mijn zelfvertrouwen ten aanzien van mijn kennis danig in een spiraal neerwaarts zit. Mijn redeneringen kloppen vaak niet met de werkelijkheid, zo blijkt . En ik verzeker u de spiraal van onwetendheid is nog lang en de put is nog diep.

Ik ga eens voorzichtig in kaart brengen wat ik allemaal voor vermeende kennis heb. Ik kijk om me heen op een heldere warme zomeravond. Het zicht over de weilanden is beperkt tot ongeveer 150 meter, maar kijk naar de lucht dan is de afstand beduidend meer. Sterker, er is helemaal geen eind. Ik kijk in het oneindige, en zie stippen die lichtjaren van mij verwijderd zijn. Er is geen einde aan. Maar als er geen eind is aan het heelal dan is er ook geen begin van het heelal, althans ik kan het niet waarnemen. Datzelfde is er gaande met het begrip 'tijd'. Ik ken geen begin aan de tijd en ik weet ook geen eind. Ik ben voortdurend bezig om 'op tijd te komen',  'op tijd het werk af te hebben', 'op tijd op te staan' en nog veel meer met tijd.  Maar wat is dat eigenlijk met al die tijd?  Mijn worsteling met de ruimte en de tijd komt u nog regelmatig tegen op deze webpagina. Ik heb kennelijk behoefte aan orde, aan categorieën. Ik leef in hokjes van ruimte en tijd. Ik sta daarin niet alleen. Wijzen van toen en nu stellen dat er een begin moet zijn geweest aan ons bestaan, zelfs een begin van het heelal. "Een schepping", zegt de een, "een oerknal" stelt de ander. Een schepping veronderstelt een schepper, een oerknal een natuurfenomeen of natuurfenomenen. Dus de schepper en/of natuurfenomenen 'de oerknallers' waren er dus voor de schepping of de oerknal. Ruimte en tijd waren er dus altijd al. Want alles gebeurt in ruimte en tijd. De opvattingen die over het ontstaan van de aarde de ronde doen zijn echter niet gebaseerd op menselijke ervaringen, maar op onze voorstellingen. Ik kan geen schepping of oerknal aantonen. Ik kan denken dat het wel waarschijnlijk is, maar ik heb het niet waargenomen. Sterker, niemand heeft het waargenomen. Voor de oerknal, bestaan plausibele natuurkundige redeneringen, maar ze blijven zonder ervaring, dus: geen kennis. Daarmee ontken ik de oerknal niet, maar ik stel dat de theorie over de oerknal niet als kennis kan worden geduid. Met een theorie leg ik een raamwerk van beredeneerde  stappen op de werkelijkheid.  Ik beschik ook niet over kennis van de schepping en haar schepper. Ik ontken de schepper niet, maar ik kan hem of haar niet kennen. Van deze en tal van andere zaken maak ik me voortdurend voorstellingen, zonder dat ik ze echt ken, zo stelt ook Immanuel Kant 

Mijn vertwijfeling over m'n kennis gaat nog steeds in een spiraal naar beneden, wanneer ik me bewust word van het dagelijks leven. Ik loop eigenlijk voortdurend tegen mezelf aan. Ik maak me een voorstelling van de dag, van m'n werk, collega's, partner, kinderen, buren en nog meer, zonder dat ik daar echt kennis van heb. Die voorstellingen uiten zich onder meer in verwachtingen, idealen, dromen, overtuigingen, verliefdheden, maar ook in zorgen, medelijden, woede, angst, afkeer, hebzucht, jaloezie en weerzin en nog veel meer. I. Kant stelt dat ik een 'fenomenale wereld waarneem, en dat ik tegelijkertijd in een wereld leef die ik niet ken, maar waar ik wel een idee van heb. Ik denk dat Kant hier een punt heeft, maar ik kijk even van de andere kant. In de waarneembare werkelijkheid, in de fenomenale wereld - dat is de wereld zoals ik aan u graag verschijn- , laat ik dingen van mezelf zien, zoals hiervoor reeds gesteld. Ik laat echter ook veel niet zien en horen, meer nog er voltrekken zich besluitvormingsprocessen in mij, waarvan ik de oorzaken en de motieven niet gelijk weet ( de herkomst van voorkeuren, emoties: afkeer, woede, jaloezie). Hoe goed ken ik mezelf, en hoe goed ken ik u? In de praktijk is dat dus de kennis van het waarneembare uiterlijk, zoals ik graag overkom.  Daarvan zijn u en ik ons ook bewust, als het gaat over mode, gedragscodes, rituelen en nog veel meer. We tonen een zelfbedachte verschijning.

Is dit nu alles wat ik kan kennen, of is er nog iets meer? Ja, er is toch nog wel wat meer dan schimmige schaduwen die langs de put bewegen. Ik kan me namelijk voorstellingen voor de dag van morgen maken op basis van ervaringen uit het verleden. Ik kan me voorstellen hoe het is om morgen naar m'n kinderen en kleinkinderen te rijden aan de andere kant van het land. Ik ga die reis ook maken, maar ik heb die reis die ik morgen ga maken, nog niet ervaren, dat kan namelijk nog niet. Maar hoe kan ik dat weten? Dit is kennis die voorafgaat aan mijn ervaring. Hier blijken zich ervaringen opnieuw te bundelen met mijn rede, en mijn voorstellingsvermogen. En zoals eerder gesteld, beperkt zich mijn kennis niet tot enkel mijn ervaringen, maar ook de ervaringen van u ga ik gebruiken. Al die ervaringen samen brengen mij met behulp van het verstand tot het oordeel dat ik zelf prima naar het andere deel van het land kan rijden met een auto die ik niet echt ken, wegen die ik niet heb gezien, mede-weggebruikers waar ik geen notie van heb. Hoe kom ik tot dat oordeel? Met mijn verstand bewerk ik de relevante ervaringen tot een plan om naar m'n kinderen te rijden.. De bewerking van de ervaringen begin ik met een toets: 'Ja', ik heb een rijbewijs en 'Ja', ik heb een auto, die nu doet wat 'ie moet doen, namelijk rijden (dat is helaas niet altijd het geval).  Maar ik heb ook nog tenminste  twee andere voorwaarden nodig, die we al eerder voorbij zagen komen, namelijk: tijd en plaats. Ik moet tijd hebben, of tijd reserveren. Maar dat niet alleen: mijn kinderen moeten ook de tijd hebben of de tijd willen vrijmaken om mij te ontvangen. Dus de agenda's worden getrokken.

Alles gebeurt niet alleen in de tijd, maar ook in de ruimte of plaats. Met het organiseren van een reis is dat geen onbelangrijk element, zeker niet wanneer je in de spits afreist naar de randstad. Dan ervaar je de noodzaak van tijd en ruimte soms heel indringend. Voor het bepalen van de route maak ik gebruik van een routeplanner in de auto. Die planner geeft me actuele informatie over de plaatsen waar het dringen is op de weg. Deze informatie van buitenaf gebruik ik op mijn beurt om de route aan te passen.  Of om de kinderen te informeren dat het allemaal wat later wordt. Ik maak hier dus gebruik van kennis van derden - namelijk de waarneming dat het druk is op de weg- om mijn reisplanning bij te stellen.

Dus ik kan mijn kennis nog stevig uitbreiden buiten mijn eigen directe ervaringen om. Dit geeft moed om toch uit de put te komen en mijn imago over kennis weer wat op te poetsen. Daarvoor moet ik toch vooral mijn verstand gebruiken om dingen die ik wil gaan doen goed voor te bereiden. Om tot een deugdelijke ordening van ervaringen te kunnen komen met mijn verstand heb ik nog meer nodig. Ik heb vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering nodig om ook daadwerkelijk die kennis te verwerven die noodzakelijk is om mijn leven vorm te geven.